Schrijven
7 Bredevoort
Op het Zand in het centrum van Bredevoort
staat een beeldje van een jonge vrouw. Wie ze is? Er is
over de jeugd van dit meisje niet veel bekend. Ze was
een Duitse, geboren in Ramsdorff in Westfalen in 1626.
Haar familie was doopsgezind, en de wederdopers waren
daar niet geliefd. Velen emigreerden naar Gelderland. De
vader van het meisje werd sergeant in Bredevoort. Zijn
naam komt voor op een lijst uit 1635, waarop de
‘visitatie’ van alle haardsteden, brouwketels en
bakovens staat opgetekend. Hieruit blijkt ‘Sargaant
Stoffel Stoffellse hartstad* twee’ gehad te hebben. Om
wat bij te verdienen waarschijnlijk, was hij ook
‘jaegher’ of ‘jeger’ en werd daarom ook Stoffel Jeger
genoemd. Het is bekend dat zijn dochter in 1645 als hulp
in de huishouding gaat dienen bij een schilder in
Amsterdam. Ze sterft daar in 1663, nog maar 37 jaar oud.
Ze is wereldbekend geworden door de schilderijen die de
schilder van haar, Hendrikje, maakte. Ja, inderdaad, díe
Hendrikje. Rembrandt van Rijn schilderde vaak en met
veel liefde zijn vrouw Hendrikje Stoffels uit
Bredevoort. Nu is er weer een Hendrikje, en ze staat
ongeveer op de plek, waar de stadsoever lag van het
water dat het Kasteel met het stadje verbond. Het
Kasteel dat er nog maar een jaar zou staan, toen de
echte Hendrikje naar Amsterdam vertrok. (Gegevens uit:
Henk Krosenbrink, Hendrikje Stoffels. 1973.
*met
hartstad wordt naar alle waarschijnlijkheid haardstede
bedoeld.
Deze keer zoek
ik naar een boek dat aansluit bij het thema pech en/of
mazzel.
Hendrikje Stoffels had bij alle pech in haar korte leven
wel de mazzel dat ze niet op twaalf juli 1646 in
Bredevoort was, toen de kruittoren explodeerde. Dat zou
je kunnen zeggen, als de woorden pech en mazzel niet die
lichte toon hadden die je bij kwesties van leven en dood
niet gemakkelijk gebruikt. Over die ontploffing schreef
ik in Bredevoort II. Ook schreef ik dat eenentwintig
mensen de dood vonden, maar in het boek van Krosenbrink
staat een aantal van veertig doden vermeld. Misschien
stierven er later veel aan opgelopen verwondingen.
Het boekje dat ik deze keer vind, heeft niet zoveel met
pech of mazzel te maken, of je moet de familie waarin je
geboren wordt en de plaats in de kinderrij opvatten als
pech of mazzel. De hoofdpersoon is de oudste van vier
dochters, en haar moeder is Juliana, Koningin der
Nederlanden. Het gaat om het boekje: Vier
koningskinderen, door R. Marsman, z.j. Ik denk dat het
uit 1949 is, want latere gegevens staan er niet in.
Mevrouw Marsman vindt het een groot voorrecht dit
koninklijke gezin van zo dichtbij te mogen meemaken. Zij
uit openlijk haar bewondering voor de manier van
opvoeden. De jaren 1938 tot 1945 worden nauwelijks
behandeld, het gaat om de vier jaar na de terugkeer uit
Canada in augustus 1945.
Zij geeft een korte karakterschets van de vier meisjes,
vertelt over hun dagelijks leventje, over vriendinnen,
school, honden, paarden, kinderjuffrouw en speelhuis.
Nergens een zweem van kritiek. Opvallend is wel dat er
bij de opvoeding van de prinsesjes groot belang wordt
gehecht aan zelfstandig denken, niet een ander napraten.
Ook hoog genoteerd staan je woord gestand doen en
afmaken waar je aan begonnen bent. Wil je graag een
hond? Oké maar jij moet hem opvoeden en verzorgen, dan
sta je maar vroeger op. Jij hebt twee bijeenkomsten op
je vrije middag en je wilt graag naar allebei? Je kunt
niet op twee plaatsen tegelijk zijn, dus regel zelf maar
een oplossing. In dit geval belt Trix de leidster van de
padvindsters op en ook alle meisjes, om te vragen of de
speurtocht verzet mag worden naar een ander tijdstip.
Wat voor mij het boekje zo aardig maakt en wat ik ook
als eerste zag bij het doorbladeren, zijn de tekeningen
in kleur van de drie oudsten en de opstellen van Trix en
Irene, die in hun handschrift afgedrukt staan.
Een paar kleine opstelfragmenten. Trix van Oranje, elf
jaar, beschrijft heel precies een dag met paardrijles:
‘Toen gingen we door Berg en Dal; van daaruit over de
Lage Vuurse en zo over het meer van Genève terug naar
huis. (Het meer ven Genève is eigenlijk een klein vies
moerassig meertje, ik kan het geen meertje noemen, het
is eigenlijk een moeras, dat van a tot z begroeid is met
pluisbiezen. Eigenlijk heet het ‘het pluismeertje’, maar
in de loop der jaren is het ‘het meer van Genève’
geworden)’.

Ireen, bijna tien jaar, schrijft een sprookje over een
meisje, Marjetta, dat een hertje in het bos ontmoet en
vraagt of het voor een dagje met haar mee gaat naar
huis:
‘Toen het hertje weer weg was zei Marjetta: ‘Een leuk
hertje, hè?’ Vader en moeder zeiden allebei tegelijk:
‘Een enig hertje is het, dat staat vast’. Het hertje
mocht alleen één ding doen, en dat was: het kon zich in
een veel leuker en aardiger hertje omtoveren. Het deed
dat dan ook. Marjetta komt een maand later weer in het
bos, ziet het nieuwe hertje. Ze sloeg haar armen om het
hertje en zei: ‘Ik neem je voor altijd mee naar huis en
ik noem je Roswitha’. Opeens veranderde het hertje en
werd een fee… betoverd natuurlijk. Marjetta zei: ’Wat
bent u mooi!’ En ze gingen samen naar Marjetta’s huisje,
en ze leefden nog lang en gelukkig’.

De zakelijke beschrijving van Trix en het fantasietje
van Ireen zijn waarschijnlijk opgenomen als tekenend
voor de beide karakters.
Na lezing van het boekje weet ik nóg niet of deze
kinderen pech of mazzel hadden. In een glazen huis
opgroeien en altijd aan kritiek blootstaan, lijkt mij
een ramp, ook al krijg je alle kansen en heb je meer dan
genoeg te eten. Of zij het ook zo ervaren hebben, weet
ik niet en dat kom je uit dit boekje ook niet te weten.
Ik heb zelf een beeld van Ireen voor ogen, toen ze in
1948(?) bij een padvindersbijeenkomst, ik meen in
Lunteren, aanwezig was en haar groep naast die van ons
ingedeeld was. Ze kreeg als ‘prinsesje in het echt’
zoveel aandacht van al die kleine meisjes, dat ze
constant doodverlegen naar de grond keek en uiteindelijk
door een cordon van oudere padvindsters afgeschermd
werd.
omhoog