Ze zag
er tegenop. Weer een vreemde man. Toen mevrouw De Jong
’s middags tijdens het opdienen van het lunchschoteltje
verteld had, dat er ’s avonds bij het diner een nieuwe
gast zou zijn, een oudere heer, die hier vroeger in de
buurt gewoond had, was ze geschrokken. De hele middag
was ze een beetje nerveus geweest. Sinds toen hàd ze
dat, als ze wist dat er een man dicht in de buurt kwam,
die ze niet negeren kon. Met vijf mensen aan tafel, ja,
nu zes dan, was net doen of je iemand niet zag,
onmogelijk.
Toen de gong klonk, ging ze naar de eetkamer, zocht haar
plaats aan tafel op, keek toe hoe mevrouw redderde bij
de dientafel, begroette de drie andere logés die ook op
hun vaste plaats gingen zitten en wachtte onrustig op de
zesde persoon.
Toen hij
binnenkwam, zich met een Engels accent voorstelde als
John Bloom, was ze een beetje gerustgesteld. Het leek
een heer. Lang was hij, een beetje gebogen in de
schouders, met glanzend spierwit haar boven donkere ogen
die haar vriendelijk rustig aanzagen toen ze haar naam
noemde, mevrouw Otter. Niet juffrouw Otter. Dat ze niet
getrouwd en ook nooit getrouwd geweest was, ging hem
niets aan.
Toen hij tijdens de maaltijd vertelde, dat hij een
pension in Westerbork had uitgekozen, omdat hij hier als
kind op school had gezeten en de oude plekjes nog eens
op wou zoeken, voelde ze haast een klein beetje
sympathie voor hem, want om dezelfde reden zou je bijna
kunnen zeggen, was zij ook hier naartoe gegaan.
Na het
diner dronken ze hun koffie op het terras. Het was een
zachte juni-avond, de merels zongen onafgebroken, ze
pakte haar boek en liep naar de ligstoelen op het gazon.
Ze kon haar aandacht niet bij het verhaal over New
Foundland houden, ook al hield ze erg van Annie Proulx.
Ze sloot
haar ogen en dacht als vanzelf weer aan net zo’n avond
als deze in 1943. Een kind was ze toen nog geweest,
bijna 13 jaar. Ze had met een paar kinderen
verstoppertje gespeeld tussen de barakken. Op de nok van
hun barak zat jubelend een merel te fluiten, ze was er
door getroffen: die vogel was toch maar gelukkig, hij
kon zo maar wegvliegen uit het kamp. Als zij dat zou
kunnen, zou ze ook de hele dag zingen… ze merkte niet
dat er een jongetje, dat ze niet kende, bij haar
verstopplekje was gekomen. Hij was zeker twee jaar
jonger dan zij, en een hoofd kleiner en hij vroeg
zachtjes, of hij zich daar ook mocht verstoppen.
-Hoe heet je, had ze gevraagd, en waar woon je?
Johan, en we wonen in Amsterdam en jij?
-Naatje, maar eigenlijk heet ik Naomi hoor, Naatje vind
ik afschuwelijk, dus noem me als je blieft niet zo. ik
kom uit de Achterhoek.
In de
dagen daarna zocht hij haar steeds op als het
kampschooltje uitging. Ze konden goed met elkaar praten
ondanks het leeftijdsverschil. Hij was nog geen elf
jaar. Hij had geen vader, nooit gehad ook, en zijn
moeder was tot het laatst op de Joodse school
onderwijzeres geweest. Toen dat niet meer mocht van de
duitsers had ze hem thuis lesgegeven, hij kende zelfs al
wat Engels, al mocht hij dat nooit laten merken. Na de
oorlog zouden zijn moeder en hij naar Amerika gaan, daar
waren geen duitsers en daar kon hij gewoon naar de HBS.
Ze had
een beetje tegen hem opgezien, HBS, zij zou blij zijn
als ze naar de ULO mocht, en ze vond leren juist zo
fijn!
Op een
avond, misschien twee weken later, deed hij heel
geheimzinnig toen hij haar zag, lachte een beetje, hield
beide handen achter zijn rug en vroeg: wat heb ik in
mijn hand? Ze wist het, een merelveertje. Néé, nog eens
raden. Een blokje hout als hinkelblok. Weer mis. Je
raadt het nooit! zei hij opgewonden, kijk eens! voor
jou, en als ik in Amerika ben, moet je aan me denken als
je het draagt. Zie je dat het dezelfde kleur blauw heeft
als je haarlint? Dat vind ik je zo mooi staan, je
ddddonkere haar en dat hemelsbbbbbbblauwe lint. Hij werd
heel verlegen, kleurde en legde een zilveren ringetje
met een doorzichtig blauwe steen in haar hand.
O, wat
prachtig! is dat voor mij? Van wie is ie?
Van
niemand meer, ik heb hem gevonden. Er zat een tegel los,
ik wou proberen er een stukje af te slaan om mee te
tekenen, en toen ik hem iets optilde, zag ik dit
ringetje, wil je het niet hebben?
O, ja,
graag, het is prachtig! Ik zal het heel goed bewaren en
er erg zuinig op zijn. Als je dan eens terugkomt uit
Amerika, zul je zien dat ik hem nog heb. Ik zal vaak aan
je denken.
Ze
schrok op uit die verre wereld, toen meneer Bloom
zachtjes vroeg of de stoel naast haar vrij was en of ze
geen bezwaar had, dat hij daar ging zitten. Ze geneerde
zich een beetje, het had natuurlijk geleken of ze sliep.
Ze was stijf geworden en wou eigenlijk wel even de benen
strekken, maar om nu gelijk weg te lopen was ook zo gek.
Het was net of hij het begreep, Hij zei: Ik loop graag
even een ommetje na het eten, ik weet niet of u zin
heeft om samen een stukje de laan hierachter in te
lopen, het is zo’n prachtige avond!
Ze begreep zichzelf niet toen ze zei: Ik houd ook zo van
deze lange lichte avonden als de merels fluiten, ik wil
graag even een eindje lopen.
Het
wandelingetje beviel beiden goed, het weer bleef mooi en
de volgende dagen waren ze vaak in elkaars gezelschap,
liepen steeds een eindje verder, ontdekten nieuwe
bospaden, kwamen een keer bij een picknickplek, rustten
daar een poosje uit en de volgende dag, toen ze weer
gingen wandelen, had hij een kleine rugzak om. Hij
lachte een beetje geheimzinnig, verschikte iets op zijn
rug en zei: U zult nog opkijken.
Bij de bank haalde hij uit de rugzak een kussen, een
kleedje, een thermosfles met thee, kopjes, een reep
chocola en een plastic doos met kersen. Goed afgewassen!
lachte hij.
Ze wilde
bij al die gezellige vriendelijkheid niet achterblijven
en stelde voor om elkaar maar te tutoyeren. Ik heet
Naomi, zei ze, en u, eh jij heet John, hè? Hij vond
dat ze een mooie naam had, Joods? Ja, zei ze,
Jodin. Haar stemming sloeg gelijk om.
Die
bewaker had gezegd, terwijl hij haar in Auschwitz uit de
rij voor de douches sleurde: Komm mal her du, wie heisst
du? En toen ze halfhuilend gezegd had, Naomi, had hij
gelachen en geroepen: Name! du hast keinen Namen gel, du
hast wirklich keinen Namen.
Hij had haar aan de arm heen en weer geschud en
gesnauwd; Na gut, in meinem Hause brauchst du auch keinen Namen!
So ist es auch richtig, du bist ja ein Nichts, Jude!
Ich rufe Schwein und dann kommst du, verstanden!
Ze had haar moeder niet weergezien.
Die dag
was ze bij die bewaker als meisje voor alles gekomen.
Een jaar volgde waarin ze van onnozel kind een
veertienjarige vrouw werd, die alles onderging, maar
overeind bleef door de gedachte aan Amerika. Het
ringetje, dat ze in de trein onder haar oksel bewaard
had, haalde ze later bij de Duitser wel eens stiekem tevoorschijn en dacht
aan Johan in die totaal andere wereld. Na een jaar had
de bewaker genoeg van haar en stuurde haar door naar
Theresienstadt. Ze overleefde daar door gedwongen
de weerzinwekkende dingen te doen, ook toen de Russen als
bevrijders kwamen.
John
kuchte zacht en ze probeerde weer gewoon te doen. Hij
verdeelde de kersen en terwijl ze aten en de pitten
wegspuwden net of ze kinderen waren, kwam de
ontspannen sfeer weer terug. John vroeg niets, maar
vertelde waarom hij naar Westerbork gekomen was.
Weet je Naomi, in 1942 zat ik in kamp Westerbork met
mijn moeder. Ik was 11 jaar ongeveer en zou van mijn
moeder gescheiden worden. Een bewaker smokkelde mij uit
het kamp omdat ik op zijn overleden zoontje leek en hij
vond dat ik moest leven. Op een van die laatste avonden
in het kamp gaf ik aan een vriendinnetje dat ook Naomi
heette, en waar ik heel goed mee op kon schieten, een
ringetje……… wat is er met je!? Voel je je niet goed?
Waarom huil je nou?
IK, ik
ben die Naomi!! kijk maar. en ze trok de zilveren
halsketting boven haar vest uit. Tussen haar vingers
trilde de ring.
Ze zaten
een tijdje heel stil naar elkaar te kijken, tot de
kindergezichten uit hun geheugen zich oplosten in de
rimpels van nu. Over de picknicktafel heen vonden hun
handen elkaar. Toen ze
weer konden praten, bleek dat ze geen van beiden kamp
Westerbork hadden durven bezoeken, maar nu zouden ze er
samen heen gaan.
John
bleek in Amerika te wonen, en weduwnaar te zijn.
Toen ze
de volgende dag bij de picknickplaats kwamen, pakte John
een dikke blauwe vilstift uit zijn rugzak en tekende
rond de eik die daar stond een hemelsblauwe streep. Weet
je wat dat is? Hij gaf zelf het antwoord: Dit is
watervaste inkt en deze streep is jouw blauwe haarlint.
Ik kan niet zo goed tekenen, maar dit hier –hij tekende
een kruis op het lint- is de blauwe steen in de ring en
dit, Naomi Otter, zijn jouw initialen – hij tekende
ingespannen een N en een beetje klein uitgevallen o op de geribbelde schors.
Lachend keek hij over z'n schouder naar haar:
Deze eik is getuige van onze hernieuwde kennismaking en
misschien van een nieuw begin, Naomi.
Schrijfopdracht Tekens op een boom