Hij werd wakker door het schudden en klapperen van zijn
tentje. Gelukkig zat er een vast grondzeil in, het zou dus
niet zo gauw in de lucht
vliegen. Hij gniffelde om die gedachte: met drie kerels in
een éénpersoonstentje slapen, alleen van de stank bleef het
al stijf staan!
Een nieuwe stormvlaag drukte het tentdoek bijna tegen zijn
gezicht aan voelde hij. Zijn fiets kletterde
om. Dat was niet best. Hij moest
toch even naar buiten voelde hij, dan kon hij gelijk kijken
of er niks kapot was gegaan. Voorzichtig
wurmde hij zich uit z’n slaapzak, pakte de knijpkat,
kroop over de voeten van de Indiaan en schoof naar buiten.
Net als de voorgaande nachten, werd hij overweldigd door de
helderheid van de sterrenhemel. Duidelijk kon hij de
contouren van de Andestoppen ertegen zien afsteken. De maan
was al onder.
Terwijl hij urineerde, bedacht hij, dat dit het mooiste was
wat hij had leren kennen hier, de nog niet
aangetaste aarde. Er was nergens
elektrisch licht te zien, geen straatverlichting, geen
schijnwerpers op grote industrieterreinen en nergens felle
lampen zoals thuis bij de boerderijen in de Achterhoek waar
zijn ouders woonden. Eigenlijk was het enige stuk moderne
techniek in misschien wel 100 kilometer zijn camera. En die
gebruikte hij nog weinig ook. Liever keek hij direct en
scherp naar de hellingen van de bergen. Zo kon hij de vorm
van de aardlagen, de stortingen en oude ontsluitingen als
beelden opslaan in zijn hoofd. Ook de enorme vogels die
gisteren vanuit het dal diep beneden hem naar boven
cirkelden, de voortglijdende wolkenschaduwen over de
hoogvlakten, de schaarse planten en de weinige dieren, van
al die waarnemingen wilde hij de beelden bewust in zich
opnemen, en dat lukte niet als hij zijn aandacht erop moest
richten via een lens.
Hij rilde in de kille wind.
Z’n
fiets leek gelukkig nog heel, als het licht werd zou hij hem
eens goed nakijken, de storm luwde iets en hij kroop weer
naar binnen. Even later lag hij weer stijf tussen de twee
Indianen, die hij gisteren achterop gefietst was. Ze hadden
over het stoffig stenige pad een eindje voor hem uit
gelopen, gehuld in hun dekens. Het was al bijna avond en hij
wou net z’n tent ergens opzetten.
In z’n beste Spaans had hij
gevraagd of ze nog ver moesten. Nee, ze zochten een
beschutte plek om te slapen. Hij had ze uitgenodigd om samen
in z’n tentje te slapen. Als ze
alleen maar hun deken hadden om zich in te rollen zou het
misschien groot genoeg zijn.
In ruil voor de geboden beschutting deelden ze hun
maïskoeken met hem. Zelf had hij nog wat maté in
z’n thermosfles. Het was nog best
gezellig geworden zo. Gezellig! Hij grinnikte een beetje,
dat zei zijn moeder ook altijd, maar dan had ze iets anders
in gedachten dan thee drinken met twee Indianen op een kale
hoogvlakte.
Als zijn vader hem zo eens kon zien liggen! Dit leven was
wel zo anders dan dat waarin hij
zijn doctoraalscriptie voorbereidde op zijn kamer bij
mevrouw De Roos.
Weer moest hij denken aan die dag iets meer dan een maand
geleden nu, waarop hij rigoureus al z’n
spullen had weggedaan, z’n boeken en dictaten, z’n dia’s en
overbodige kleren. Daarna had hij het laatste geld van zijn
bankrekening gehaald. Het was precies genoeg geweest voor
het vliegticket naar Chili. Zijn opluchting om het
definitieve weggaan was zo groot geweest, dat hij op de
stoep van het reisbureau de tranen in zijn ogen had gevoeld.
In
de afscheidsbrief had hij geschreven dat hij met Kerstmis
niet thuis zou komen, dat hij wegging, dat hij
z’n eindscriptie niet in zou
leveren, dat hij niet afstudeerde, geen kantoorbaan wilde en
dat hij wou uitproberen of hij zich zonder geld in de wereld
thuis zou voelen en op eigen benen zou kunnen staan. Toen
was hij op Schiphol in het vliegtuig gestapt. Zijn fiets
ging mee.
Sinds die dag was hij baas over elke minuut van zijn leven,
hij durfde te vertrouwen op zijn improvisatietalent en
z’n vermogen om met heel
verschillende mensen om te gaan in totaal andere
omstandigheden dan in Nederland. Dat was hem in de vakanties
altijd heel mooi gelukt. Hij wist dat hij het kon. Hij
voelde de breuk met het verleden als een bevrijding, maar
het was ook zoiets als ontwaken uit een lange slaap.
Eigenlijk was hij nu een zwerver, een dakloze, bedacht hij,
maar deze maand had hij zich toch maar prima gered in zijn
zelfgekozen armoebestaan. Hij wilde van west naar oost door
Zuid-Amerika fietsen en onderweg de kost verdienen met
werken op haciënda’s.
Twee dagen geleden had hij een lift gekregen in de laadbak
van een gammel vrachtwagentje, hij had de chauffeur die een
Duitse grootmoeder bleek te hebben, een paar woorden Duits
geleerd en een schuine mop, en in ruil daarvoor had hij ’s
nachts in de cabine
mogen slapen. Ook had hij van die man geleerd hoe je kon
herkennen waar water in de grond zat, en later had hij zelf
water gevonden én nog brandhout, zodat hij thee kon zetten.
Rijk voelde hij zich. Zo beleefde hij meer, leefde hij
intenser, dan in de vijfentwintig jaar die achter hem lagen.
Ja, hij had een gevoel of hij vijfentwintig jaar geslapen
had en nu klaarwakker was.
Hij zuchtte diep.
Toen hij al half sliep, voelde hij dat een van de Indianen
in z’n slaap vertrouwelijk een
arm om hem heensloeg.