Bergweg 6 -
Winteravond in 1884 , herfstavond in 1897
Drika komt
thuis als het al bijna donker is. Ze zet haar
klompen op de deel neer bij de deur naar het
gangetje zodat de sneeuw'kloeten' kunnen smelten
door de warmte van de koeien in de stal. Ze doet de
binnenklompen aan en draait de pit van de
stallantaarn wat lager, want nu ze binnen is, hoeft
het licht niet zo hoog te branden, moeder vraagt
steeds om daar op te letten.
Als ze de deur naar de kökkene opendoet, flakkert
het vuur in de haard even hoog op en verlicht het
gezicht van haar moeder, die gebogen in de pappot
staat te roeren, die boven het vuur hangt. Die haakt
de pot wat hoger, terwijl ze vraagt hoe het gegaan
is.
Grootvader die achter het vuur zat te dutten, wordt
wakker van de tocht, en zet z'n pet weer goed stevig
op z'n hoofd.
'We hebben een grote haas geschoten, en nog een
fazant. We waagden niet langer bij Veldhuis in de
buurt te blijven, want de hond sloeg aan en er kwam
iemand naar buiten. Ik heb toen het geweer onder de
schort genomen en Hendrik en Jan hebben het
wild meegenomen. Ik denk niet dat Duenk vandaag op
de loer ligt, want het is zo waterkoud! Het dooit
bijna en het begint te waaien. Zijn ze nog niet
thuis?'
Er wordt
aan de deeldeur gerammeld en meteen begint Wodan
woest te blaffen. Drika pakt gauw de breikous die ze
bijna afheeft en begint te breien. Moeder gaat
kijken wie er is. De hond blijft blaffen, ook al
zegt een stem op de deel: 'Goed volk, kóest!'
Door het lawaai hoort Drika niet wat grootvader
zegt, maar het gebaar van vinger op de lippen is
duidelijk, nee, zij zal niks loslaten.
Moeder
komt binnen en vlak achter haar loopt Duenk.
'Wat een rust hier! Dag Drika, he'j geen kolde
hande? Geet 't breien wal zo?'
Drika haalt haar schouders op: 'k Heb ze altijd een
beetje rood 's winters en het breien gaat best. Zal
ik koffie indoen?'
Terwijl Duenk van het schoteltje de hete koffie
slurpt, gaat Drika met de ketel de kökkene uit.
'Even water bijhalen.' Op de deel controleert ze
gauw of ze het geweer wel goed achter de koeien
verstopt heeft. Het is daar behoorlijk donker en
smerig, daar zal hij niet gaan kijken. Alles is in
orde. Terwijl ze pompt, gaat de achterdeur op een
kier open. Wodan begint te kwispelen als Hendrik
voorzichtig naar binnen kijkt. Drika beduidt haar
broer dat hij moet maken dat ie wegkomt en dat hij
ook Jan moet waarschuwen.
Als ze
weer binnenkomt, hoort ze dat Duenk vraagt waar de
jongens zijn. 'Weet je dat niet?' zegt haar moeder,
'er is toch boeldag in Vragender, daar zijn ze heen.
Onze hakselaar is steeds kapot en ze wilden zien of
er daar een betere te koop was. Ze zullen wel even
bij Kerkemeijer aangaan. Ze kunnen zo komen. Wou je
wachten? He'j ze ergens voor nodig?' 'Nee, dat kan
wel wachten. Ik ga maar weer eens. Bedankt voor de
koffie.'
Wanneer
hij weg is, luisteren ze goed of ze hem kunnen horen
lopen op de weg, maar de sneeuw ligt nog te dik
en dempt het geluid. De luiken moeten nog dicht en
Drika gaat naar buiten om de sluitstang erover te
leggen en de pin door het gat te steken, dan kan
moeder die met het dwarsijzer vastzetten aan de
binnenkant. Ze luistert intussen scherp of ze
Duenk nog hoort, maar het enige wat ze hoort is
dronkemansgelal op de weg.
Moeder legt de lepels op tafel en ze wachten nu op
de jongens. Daar horen ze ze aankomen, ze lachen en
praten hard op het erf. Met veel lawaai gaat de
deeldeur open, Wodan blaft uitzinnig en wordt
losgemaakt, en met veel gestommel van klompen,
gelach en schouderslaan komen de jongens binnen.
'Wat een stommeling, die Duenk, hij had ons zo
kunnen volgen vanaf Veldhuis. Natuurlijk maakten we
sporen in de sneeuw. Hij had best door dat er
gestroopt werd, maar de bangerd durfde het veld niet
in, hij ging over de weg'.
'Ja hoor, hij kwam direct kijken of die slimme
jongens al thuis waren, hij heeft hier een hele tijd
gezellig koffie zitten drinken! plaagt Drika. 'Dat dacht ik
wel, en daarom deden we wat we afgesproken hadden, een
beetje dronken schreeuwen, net of we van de boeldag
kwamen. Straks moeten we wel even de haas en de
fazant uit het gat in de boom halen, zonde om te
laten zitten'.
Ze hebben honger en kunnen nauwelijks wachten tot
grootvader ook aan tafel zit. Zwijgend eten ze zo
snel mogelijk de pap en gaan dan stil weer naar
buiten om de buit op te halen. Ze zullen die niet
zelf opeten, ze brengen alles naar de Sociëteit,
waar Vierkant zulke lekkernijen koopt om zijn gasten
te plezieren.
In de winter komt er bij de boeren weinig geld
binnen en dan is zo'n gestroopt extraatje zeer
welkom. De jongens geven het geld aan grootvader,
die hen elk een kleinigheid teruggeeft.
Het vuur is zo goed als uit als ze om negen uur in
de bedstee kruipen. Moeder is de laatste. Ze kruipt
naast Drika, trekt de deurtjes half dicht, maar op
haar 'goeienacht' komt al geen antwoord meer.
Als mijn
grootmoeder Drika zulke verhalen vertelde over haar
jeugd, vond ik dat zo avontuurlijk! Ik had geen idee
van de armoe die in die tijd (ze werd in 1872
geboren) heel gewoon was in het leven van kleine
boeren.
*-*-*
omhoog
Een herfstavond in 1897
Zaterdagavond. Het is al schemerig als Gerrit het
dorp uitloopt en op weg gaat naar Drika in Meddo,
met wie hij trouwplannen heeft. Het is een wandeling
van vier kilometer, maar dat vindt hij juist fijn.
Hij heeft een zware werkweek achter de rug,
vanmiddag was hij pas om 6 uur klaar op de fabriek
waar hij touwbaas is en even lekker stevig doorlopen
doet hem goed. Het is volle maan en straks zal hij
goed licht hebben. Het pad is vertrouwd, hij heeft
het al zo vaak gelopen. Hij hoopt dat het de langste
tijd geduurd heeft, hij wil trouwen en een gezin
stichten. Maar Drika is er nog niet aan toe, zegt
ze. En ze wordt volgende maand al 25!
Hij is halverwege als de maan groot en oranje boven
het bos uitkomt en al snel behoorlijk licht
geeft. Vanavond moet hij maar eens.... WAT is dat?
WIE is dat daar op de es? Hij durft geen stap meer
te zetten en kijkt als verlamd naar wat hij ziet. Op
de bolling van de es loopt een paard voor de ploeg,
en ernaast loopt met de leidsels in de hand een
kreupele, nee, een man zonder voeten, een man met
hoeven, die glanzen in het maanlicht. De duivel! Nu
ziet hij duidelijk de hoorntjes. Gelukkig lopen
paard en ploeger van hem weg. Hij is nog niet
gezien. Snel laat hij zich door de knieen zakken en
kruipt heel voorzichtig in de greppel naast het pad
en gaat er languit voorover inliggen.
Uren
later naar z'n idee durft hij een klein stukje
overeind te komen om te kijken of de duivel er nog
is. Geen paard, geen ploeg, geen duivel is te zien
in het heldere maanlicht. Hij staat op en waagt het
te gaan kijken op de es. Wat hij verwachtte, ziet
hij ook, of liever gezegd is niet te zien. Geen
ploegsporen geen afdrukken van het paard, niets, de
resten van de voederbieten die nog ondergeploegd
moeten worden voor de winterrogge erin kan, liggen
er onaangeraakt bij.
Hij gaat
naar Drika, is er uren te laat. Ze zegt niet veel op
zijn verhaal, 't is net of ze hem een beetje
uitlacht, ze gelooft niet wat hij vertelt. Op de
terugweg is hij nog bang. Fluitend loopt hij door de
nacht. En fluitend gaat hij de andere zaterdagen
over het pad naar Meddo.
Mijn opa
Gerrit vertelde dit verhaal vaak als er een borreltje op tafel
kwam bij een familiefeestje. Heel zijn leven heeft hij geloofd in wat hij
met eigen ogen gezien had.