Opoe Fuut
vervolg - Bergweg 5
Uit het trouwboekje van
mijn grootouders van vaderskant:
Op den 10
November 1899 is het huwelijk voltrokken tusschen:
Gerrit Jan van den Berg geboren den 16 april 1874
zoon van Jan Willem van den Berg en van Gesiena
Berendina te Slaa
en
Hendrika
Aleida Korten geboren den 8 November 1872
dochter van Engbert Korten (1838) en van Gesiena Willemina
te Hofstee (1825)
Kinderen
uit dit huwelijk geboren:
Gesiena Berendina 18 Jan 1900
Jan Engelbertus 24 Juli 1901 (dit is doorgestreept)
overleden 17 Sept 1901
Jan Engelbertus 13 Dec 1902
Johanna Willemina Christina 25 April 1907
----------------------------------------------
Ik kan me wel wat voorstellen bij deze gegevens.
Zeven maanden zwanger zijn op je trouwdag. Het kind
als gebaar van goede wil naar de schoonmoeder
noemen. Na de geboorte van
het meisje al snel weer zwanger
zijn, een zoon krijgen die na 8 weken sterft,
snel weer zwanger worden en weer een Jan Engelbertus
krijgen ( mijn vader). Wat een emoties. Afwisselend
spanning, verdriet en vreugde. Dan even rust en
daarna de geboorte
van nog een dochter.
Mijn grootmoeder werd
geboren in Meddo, een overwegend rooms-katholieke buurtschap bij
Winterswijk. Het gezin was Nederlands-hervormd, maar
zag de dominee alleen bij trouwen en begraven. Haar moeder
kwam uit Meddo, van boerderij Lammerdinck-bosch.
Haar vader was geboren in Ruurlo.
Ze ging weinig naar school, alleen 's winters, want
de rest van het jaar moest er mee aangepakt worden
thuis. Dat thuis was een boerderijtje dichtbij de beek,
Lammerdink-Huisje (Huusken), huisnummer 55 destijds.
Ik heb altijd gehoord dat ze 2 oudere broers had,
van wie er één naar Amerika emigreerde samen met een
neef uit Ruurlo en diens vader(?), wapensmeden waren het, die in
Amerika een werkplaats begonnen, die later tot
een fabriek uitgroeide.
De andere broer bleef na de dood van de ouders op de
boerderij. (rechts op de foto hieronder). Tot mijn grote verrassing
zei mijn buurvrouw Jo: Is dat je opa? Hij staat in
'Meddo's Verleden, Overkamp 500x'.
Nee, het is mijn oudoom HendrikJan-eume, die hield van
zure haring op krentebrood.

Bovenstaande foto
zou gemaakt zijn in 1925-1930, maar dan zou
Hendrik Jan Korten 58-63 jaar geweest zijn en zo oud
ziet hij er volgens mij niet uit. *1867.
Lammerdinkshuusken in 1942
en in 2006
Drika was een flinke meid, niet bang uitgevallen.
Als haar moeder ging venten met aanmaakhoutjes en
warm water, moest ze of thuis oppassen, de
aardappels schillen of in de moestuin werken, óf met
de broers op klaarlichte dag mee gaan stropen. Ze
was toen een jaar of tien. Ze droeg het jachtgeweer
onder de schort en drentelde zo al bloemen plukkend
of op de koe passend na het, meestal rake, schot weer naar huis.
Overdag stropen was minder gevaarlijk dan 's avonds
of 's nachts, want in het donker waren de
jachtopziener en de veldwachter actief en fel op
stropers.
Ze waren bijna outcasts, door het Hervormd zijn, het
handelen, het stropen.
De moeder
van haar latere man was een Te Slaa en had familie
in Meddo, in de buurt van het Lammerdinkhuusken. Zo
zullen de jongelui elkaar wel hebben leren kennen,
op een bruiloftsfeest of kermis. Gerrit woonde in
Winterswijk en ging op zaterdagavond vrijen in
Meddo. Ik denk dat hij verliefd op haar werd, omdat
ze totaal anders was dan zijn 2 zusters.
Dat waren preutse vrouwen, ook nog
geheelonthouder en bovendien lang niet zo knap als
Drika. Die was lang, 1.76, liep fier rechtop, en had
een dikke bos donker krullend haar, dat ze los
opgestoken boven haar trots en knap gezicht droeg.
Op hun trouwfoto staat ze als een koningin naast
haar Gerrit, een half hoofd groter dan hij en 7
maanden zwanger.
Ze is waarschijnlijk met hem getrouwd omdat hij geen
boer was, hard werkte, goed verdiende als touwbaas
bij een textielfabriek en ook knap was om te zien.
Hij had ook een goed verstand, maar anders dan zij.
Hij had geen sociale intelligentie. Was technisch
goed bij, maakte bijvoorbeeld voor Drika een
duplicaat van de eerste Miele wasmachine, die nog
met de hand aangezwengeld moest worden. Hij draaide
ook voor haar aan de slinger.
Gerrit
was duidelijk een baas. Op de fabriek touwbaas over 6 man en
de weefgetouwen, thuis over zijn vrouw (dacht hij),
2 dochters
en een zoon, later mijn vader.
Háár verstandigheid was nuchter, zakelijk. Ze nam
niets van een ander aan zonder er grondig over
nagedacht te hebben, en ze durfde het te zeggen ook,
als ze het niet met iemand eens kon zijn, al was het
ook de baas op de fabriek waar ze later werkte, de
huisbaas, de dominee, een winkelier of haar man. Ze had een
groot gevoel voor waarachtigheid en haatte vleierij
en gedraai. Toch was ze helemaal geen hard type, ze
hielp haar kinderen die vaak te lijden hadden onder
het strenge regime van hun vader, zorgde dat deze
niet alle boevenstreken en ongelukken van zoon Jan te weten kwam.
omhoog
Het
huwelijk van Gerrit en Drika was niet zo gelukkig. Ze
woonden in een smal straatje dat langs de spoorlijn
liep. Aan de spoorkant stonden geen huizen. Bij de
scherpe hoek waar het straatje van het spoor
wegboog, begon het Geheelonthouderspension van Mina
en haar man. Mina was een zuster van Gerrit. Stond je met het gezicht naar het
hotel, dan woonde Mina rechts in een aangebouwd
huis, en woonde links in net zo'n huis haar moeder, Drika's schoonmoeder dus. Dan kwam er
een smal steegje en vervolgens het huis van Gerrit
en Drika. Die laatste kon haar lol wel op met schoonmoeder
stijf naast de deur en Mina vlakbij. De andere
schoonzuster woonde toen iets verder weg in het
dorp.
Ze werd
aanvankelijk door hen met de nek aangekeken. Ze was
een 'boerentrien die alleen maar plat kon praten,
die de verkeerde kleren droeg, die geen mooie kamer
had en die nog groots was ook'. In de herinnering
van mijn vader, ging ze met weinig mensen om. Ze was geen
type voor buurpraatjes, maar ontmoette natuurlijk
wel andere vrouwen bij de bakker en de
gemeenschappelijke put, die op de grens van haar
achtertuintje stond. (Toen er waterleiding aangelegd
was, werd de put overbodig.)
Hoewel Gerrit relatief goed verdiende, leefde het
gezin op de grens van armoede. De kinderen, ziektes
en de begrafenis van de eerste Jan-Engelbertus kostten geld, en Gerrit begon na
het werk een paar borrels te drinken in de kroeg.
Daar was het inkomen niet op berekend en Drika moest
mee naar de fabriek. Het huishouden gebeurde
tussendoor, en hoe ze het deed met de kinderen als
ze weg was, snap ik niet. Mijn vader Jan
was gek op zijn
moeder, hij hield heel van van haar en had een groot
respect voor haar.
Vol trots
vertelde hij vaak het volgende voorval.
Put
Een
buurvrouw kwam helemaal overstuur, schreeuwend haar
huis uitrennen met een blauw aangelopen kind op de
arm. Drika pakte kordaat het kind aan en hield het
aan de enkels ondersteboven boven de put. Het kind
schrok zo verschrikkelijk, dat het stukje appel losschoot en
ze weer lucht kreeg. Je zou verwachten dat iedereen
dit kordate optreden zou bewonderen. Nee dus. De moeder
wel, die was zo blij, dat ze het hele
verhaal in
het dorp rondvertelde, maar
een paar andere buren vonden het een schande om een klein
kind zo te laten schrikken. Het had ook wel op een
andere manier gekund. Zij zouden het anders
aangepakt hebben. Van de dorpsdokter kreeg ze
echter een compliment voor het snelle en goede optreden;
en dat vonden de schoonzussen weer niet leuk.
omhoog
Drika had een talent voor het naspelen van komische
situaties. 'Dominee op bezoek' was er één van. Van
haar hoefde hij niet te komen, ze leefde zo eerlijk
en goed mogelijk, dus ze snapte niet waar ze een
kerel voor nodig had die haar vertelde wat ze zelf
beter wist. Bovendien zat er de vernedering achter
die de NH-kerk haar aandeed. Háár niet alleen, maar
alle mensen die de dure zitplaatsen vooraan in de
kerk niet konden betalen en Gods woord alleen van
een afstandje konden horen. Ze vond het een schande
dat de kerk het standenstelsel niet ophief en ze
hield daar tegenover de dominee niet haar mond over.
Ze was niet tegen lidmaatschapsgeld, maar wel tegen
het verpachten van zitplaatsen aan de meestbiedende.
Hij kende haar dus en zag duidelijk tegen het
verplichte huisbezoek op. Ze doorzag zijn zogenaamde
jovialiteit en kon de situatie prachtig naspelen.
Het handenwrijvend binnenkomen, het tevreden
rondkijken, naar de kinderen vragen, gaan zitten.
Omdat zijn bezoek altijd aangekondigd werd, was hij
bij iedereen gewend wat lekkers bij de koffie te
krijgen. Drika speelde na hoe het dan bij haar
verder ging. De langzaam afbrokkelende joviale
houding, als hij geen koffie, maar een kopje thee
kreeg aangeboden. 'Ja, heel graag, vrouw van den
Berg'. De koekjestrommel stond midden op
tafel, maar ging niet voor hem open. De suikerpot
bleef bij het tweede kopje thee op het theekastje
staan, duidelijk zichtbaar onder het vitragekleedje,
ze vergat het gewoon even, kan gebeuren. Dominee
waagde er niet naar te vragen en werd steeds
onzekerder. Als dan weer het heikele thema
bankpacht ter sprake kwam, was ze op haar best.
Als 10 -jarige heb ik haar dit bezoek eenmaal zien
nadoen en het maakte grote indruk.
Een ander
toneelstukje ging over een slordige buurvrouw die
haar eigen huishouden niet kon runnen, maar wel in
de buurt haar diensten aanprees als helper in nood
waar ze maar vermoedde dat er wat interessants aan de
hand was, ziekte, onenigheid in de familie, een kind
dat niet deugde, van die dingen. Sensatiezucht dreef
die vrouw. Drika doorzag de mensen.
----------------------------
Ze voedde
haar kinderen verstandig op, dat vond haar zoon Jan,
mijn vader ervan. Ik vertel een paar voorvallen
na. Ze praatte Winterswijks, onderdeel van het
Nedersaksisch, een erkende minderheidstaal, zoals
het Fries. Ik zal het Nederlands erbij zetten,
waar nodig.
Zo ging het ongeveer:
Het is 1912 en Jan is bijna 10. Hij moet
nieuwe klompen hebben, wat een grote uitgaaf is. Het oude
paar was gebarsten voor het versleten was, en zijn
moeder heeft hem op het hart gedrukt om met dit paar
voorzichtig te zijn. Natúúrlijk zal hij goed
oppassen, hij voelt zich toch al schuldig om dat
andere paar.
De eerste dag, een zondag, schommelt hij op de
neergelaten spoorboom dichtbij zijn huis. En net als
de trein passeert, vliegt er een klomp van zijn
voet. De totaal versplinterde resten blijven op de
rails liggen. Hij loopt er beteuterd heen om goed te
kijken. Op z'n ene klomp gaat hij doodongelukkig naar
huis. Moeder Drika weet het al, want zusje Anna heeft
het al verteld. Hij krijgt geen straf, ze wil weten
hoe het gekomen is.
'Hej't ekspres edaone?'
Jan, bijna huilend: 'Nea'
'Wat doow noo?' -Wat nu?
'De olde wear an'.
'Da geet toch neet, jonge, dee bunt knats kapot en
ok völs te kleine'. - die zijn helemaal stuk.
'Misschiens wil de klumper d'r wel éne veur mi'j
klompen, dee ik dan betaale'. -'klompen' is een
werkwoord.
'Hoo ha'j dat edach dan?'
'Ik kan 'm toch helpen vègen in de werkplaatse'.
'Gaot't em maor vraogen morgen veur de schoole
begunt'.
Zelf gaat
ze die zondagavond als zoonlief slaapt naar de
klumper om te vragen of hij 1 klomp wil maken.
Als Jan de volgende morgen met z'n moeilijke vraag
komt, laat Mentink hem even zweten. <Nee, dat deed
hij nooit, daar verdiende hij niks aan, aan 1 klomp,
het was ook veel te lastig, een speciaal blok
uitzoeken..... maar nou ja, het moest dan maar,
omdat hij
zijn moeder goed kende>
Zo verdiende Jan zelf zijn klomp, en leerde al jong
wat verantwoordelijk zijn voor je daden betekende.
*-*-*
Over kwajongensstreken verzwijgen tegenover vader
Gerrit gaat dit voorbeeld.
Een groepje jongens had
besloten om ergens waar de appels mooi rijp waren
stilletjes een bezoekje af te leggen. In de
schemering liepen ze door de gängeskes, de smalle
paadjes achter de huizen, naar de bewuste tuin. Aan
het poortje hing een bordje Voetangels en klemmen.
Dat maakte naar binnen gaan nog spannender. Omdat ze
al vaker daar geweest waren, wisten ze ook dat de
eigenaar vaak zijn tuin kwam inspecteren. Wie moest
de boom in om appels te plukken? Daar hadden de
groten niet veel zin in, dus ze deden tegen de
jongste net of het een grote gunst was dat hij in de
boom mocht klimmen. Die jongste was mijn vader, Jan.
De groten verstopten zich achter de struiken en Jan
klom de boom in. Toen hij een paar appels naar
beneden had gegooid, hoorde hij lawaai beneden zich
en een stem die riep: Daar heb ik je eindelijk,
lelijke appeldief! En gelijk klonk er het geluid van
een schot en viel Jan uit de boom. Hij was geraakt,
in z'n billen.
Hij kon
naar huis strompelen, -gelukkig was zijn vader niet
thuis-, en hij vertelde zijn moeder wat er gebeurd
was. Die liet dokter Manschot roepen. Toen die er
was, legden ze Jan voorover op tafel en knipten zijn
broek open. Hij was niet beschoten met hagel, maar
met grof zout. Het was dwars door zijn broek gegaan
en zijn billen waren flink kapot. Het zout beet
gemeen. Toen hij verzorgd was en zijn zondagse broek
aanhad, kreeg hij van de dokter en zijn moeder
behoorlijk op z'n kop. Niet zozeer om het appels
gappen, maar omdat hij zich had laten gebruiken door
de andere jongens.
Vader Gerrit heeft het niet te horen gekregen. Toen
hij vroeg waarom Jan met de zondagse broek aan naar
school ging, zei Drika dat de andere broek bij de
naaister was om uitgelegd te worden, Jan groeide zo
hard.
Manschot 'vergat' de rekening te sturen en het enige
waar Gerrit argwanend om werd, was dat Jan de eerste
week liever bij tafel stond dan zat.
------------
omhoog
Mijn vader is geboren in 1902, toen z'n moeder net
30 geworden was. Hij was bijna twaalf toen de eerste
wereldoorlog uitbrak. Het was op de rand van de oude
standentijd. De padvinderij was toen een vereniging in
opkomst en de leden waren zoontjes van notabelen en
gegoede burgers. Mijn grootmoeder zorgde ervoor, dat
Jan er ook bij kwam. Ze ging naar 't fabriek, -of
het de witstoom of de zwartstoom was, weet ik niet-, en verdiende zo het geld voor een uniform,
schoenen en de contributie. Ze deed hiermee iets heel
verstandigs. Mijn vader kwam zo op een ongedwongen
manier met andere milieus in aanraking, en daar werd
hij geaccepteerd omdat hij zich netjes en sportief
gedroeg en zich gemakkelijk aanpaste.
Hij kwam
in dat eerste oorlogsjaar van de lagere school en zijn vader
verwachtte dat hij ging werken. Het hoofd van de
school kwam thuis pleiten voor verder leren. Vader
Gerrit protesteerde, hij had ook niet verder
geleerd, 't jong was oud genoeg om z'n eigen brood
te helpen verdienen. Na een paar dagen draaide hij
bij, Jan mocht naar de ambachtschool. Dat was niet
de school die moeder Drika voor ogen stond. De ULO
moest het worden, Jan kon heel goed leren. Gerrit
protesteerde: dat duurde drie jaar! Drika was slim,
ze bracht naar voren dat ze er ook wel eens profijt
van konden hebben, als ze een zoon hadden die
doorgeleerd had en later een goedbetaalde baan had.
Prima argument. 'Laat de meester nog maar eens komen
praten', zei Gerrit. Die kwam en kreeg van hem te
horen dat hij nog eens nagedacht had en dat Jan van
hem naar de ULO moest. Drika was verstandig en liet
hem de eer.
Na drie
jaar was Jans opleiding voltooid volgens zijn vader. Nee, volgens zijn
moeder, er werd een extra cursus gegeven in wiskunde
en Frans en dat ene jaar moest er nog bij. Weer
geruzie met Gerrit, maar weer won ze.
Ze woonde nu
achttien jaar in het dorp en de mensen in de buurt
waren erachter gekomen dat ze een verstandige flinke
vrouw was. Er werd nog lang gepraat over het redden
van het kind, en dat had een positief effect. Tegen
de tijd dat ze veertig werd, was ze helemaal
geaccepteerd, zelfs door haar schoonfamilie. Mensen
gingen haar om raad vragen. Schoonmoeder was
overleden, een schoonzus was weduwe geworden en deze
vrouw ging in het huis naast Drika wonen. Ze konden
goed met elkaar opschieten, want het bleek dat Hanne
een behoorlijk gevoel voor humor had, dat altijd
door fatsoensregels en burgerlijke stijfheid
onderdrukt was geweest. Die humor sloeg aan bij
Drika, die daar ook een groot gevoel voor had. Veel
later, toen ze beiden ver in de tachtig waren,
woonden ze naast elkaar in een bejaardenhuis.
------------
De
allereerste herinnering die ik aan mijn grootmoeder
Drika heb, is deze: onder opoes arm geklemd kijk ik
vooroverhangend naar het varken in zijn kot naast de
keuken. Veel mensen in het dorp hielden destijds een
varken voor de slacht.
Een
andere herinnering betreft eten, net als bij mijn
klein opoetje. Rose
pakjespudding, die we thuis nooit aten, opsnoepen
met een theelepeltje, dan kon je er heel lang mee
doen.
Toen ik
bijna 6 was, kreeg mijn moeder diphteritis en moest
achter het ziekenhuis in een isoleerbarak liggen om
beter te worden. Opoe kwam bij ons om het huishouden
te doen. Ze was toen 69. Ik heb nog het gevoel dat
ze mijn zus en mij lekker verwende. Het was voor mij
heel bijzonder hoe ze brood sneed. Ze gebruikte geen
plank en geen broodzaag, maar een vlijmscherp
vleesmes. Ze klemde het brood tegen haar borst en
sneed naar zich toe.
Na de
oorlog, toen ik 9 of 10 jaar was, leende ik op dinsdag
altijd een boek bij de openbare leeszaal. Het moest
altijd heel dik zijn, want je mocht er toen maar 1
tegelijk meenemen. Op een keer schrok ik me wezenloos
toen ik thuis mijn boek opensloeg, er zat een enorme
inktvlek in, die wel
door tien bladzijden heengesijpeld was. Een plas
inkt. Hoe
kon dat nou? Ik was altijd zo voorzichtig met
boeken. Thuis durfde ik het niet te vertellen, ik
wachtte vijf dagen het noodlot af, tot de maandag
voor het weer ingeleverd moest worden, en ook dat durfde ik niet,
de juffrouw was zo gauw boos.
Opoe was
de enige op de hele wereld van wie hulp te
verwachten was.
'Heb jij die vlek gemaakt?' [ Heb ie dat edaone?]
<Ja, dat moet wel, want ik heb hem niet eerder
gezien>
'Wanneer buj 't book gaon lèzen?'
<Woensdagmiddag>
'En wanneer zag ie den vlakken?
<Toen pas >
'Den veulden zik zeker nog nat an, hè, zonnen slomp
inkt midden
in't book.'
< Néé! hij was helemaal droog>
'Noa, dan heb i'j em neet emaket, dat hej'neet, dan zatte
d'r joa al
in. Wes noo maor neet bange meer, ik schrieve een
breefken veur de juffrouw en at ze ovver dèn vlakken begunt, dan gef ie eur dat.'
Met een redelijk rein geweten bracht ik het boek
terug. Juffrouw Jansen zag niks, ik zei niks, en op de
terugweg ging ik opoe bedanken.
wordt
vervolgd