Als kind was
voor mij eten een probleem, ik
lustte bijna niks. 's Avonds in bed moest ik vaak
overgeven, ik werd wakker als het al gebeurd was. Een
enkele keer kon ik nog net roepen en kwam moeder met een
bakje bij me. Dan hield ze m'n voorhoofd vast. Nooit
heeft ze op me gemopperd, als ze weer de dekens moest
wassen, in die tijd nog zonder wasmachine of centrifuge.
Trillend zat ik op een stoel, terwijl ze me waste,
schone lakens op bed legde, ergens een andere deken
vandaan haalde, een warme kruik maakte en me weer
onderstopte.
Ik was broodmager en ze was daar zeer
bezorgd over. Ik m๓est altijd m'n bord leegeten, al
duurde het ook een uur. Kokhalzend zat ik achter m'n eten en
walgde ervan. Wat ik me nog herinner van dat eten: grijs
brood met een donkere rand erin, rode koolstamppot met
vette jus, pap met zemelen die ik eruit viste en in een
kring op de rand van het bord legde, rode jam waarvan ik
maagpijn kreeg, de lijst is lang. De dingen die ik wel
lekker vond, aten we niet vaak: gebraden kip, de toen
altijd zelfgemaakte tomatensoep en bruine bonen.
Toen ik naar school ging, aten we warm tussen de middag,
zoals bijna iedereen in die tijd, en ik mocht niet naar
school voor mijn bord leeg was. Ik ben wel te laat
gekomen ook al begon de school pas om 2 uur.
Bij de grote schoonmaak werden er wel eens verdroogde
resten rode koolstamppot onder het vloerkleed gevonden.
Je moet toch wat!
Mijn moeder was een schat van een mens, maar hier ging
absoluut iets fout in de aanpak.