Zomeravond
Herinneringen aan warme zomeravonden, aan lachen en
praten van mensen die voor mij onzichtbaar onder het
glazen afdak achter het huis zitten: vader, moeder, opoe
en opa, tante Cor, tante Fien en oom Jan, soms ook
Rietje, mijn grote zus. Ik moest natuurlijk op tijd naar
bed, maar kreeg wel als troost een schaaltje kersen mee
met oorbellen en drielingen. Als je misspoog kwam er een
ketting van rode bloedvlekjes op het laken.
Als ik op de tweede tree van de trap ging staan, kon ik
door de gang en de keuken heen naar de gezelligheid
achter het open keukenraam kijken. Ik hoorde opoe
zeggen: Kom va, we gaan naar huis! Protest van opa, die
net van vader een sigaartje had gekregen uit het
rebuszakje en ook z'n borreltje nog niet ophad. Ik rende
zacht weer naar boven, naar het door opa getimmerde
witte bed met het bijpassende kamerscherm. Voor ik het
laken over me heen trok, snoof ik de lekkere
sigarenlucht op die van buiten kwam.
Rietje moest nu ook naar bed en ik hoorde haar zingend
de trap opkomen: '.....waar kleine bloempjes bloeien' en
ik viel gelijk met de tweede stem in: '....daar ruischt
een zachte waterval en druppels spatten overal....'
Terwijl ze haar nachtpon aantrok op haar kamer, zongen
we samen het hele lied uit.
We zongen veel tweestemmig, van jongs af aan. Wie het
ons leerde? Ik denk dat Rietje het bedacht en dat ik het
gewoon nadeed. Het was nu echt tijd om te gaan slapen
riep moeder naar boven, nog één versje en dan stil zijn.
We zongen Hoe zachtkens glijdt ons bootje al op het
spieglend meer- en zoals altijd kreeg ik tranen in de
ogen als we meer dan één lied zongen, zo mooi vond ik
het.
Het was zo warm op de slaapkamer en nu kwamen ook de
muggen tevoorschijn. Ik kon echt niet slapen en riep om
moeder. Ze kwam boven en druppelde citronella op het
kussen en : kijk, je moet proberen heel stil te liggen
met je armen een beetje op zij en je benen uit elkaar.
Wel het laken overhouden hoor! Dan heb je het niet meer
zo warm.
Zulke avonden dus, met de krekel die ergens heel hard
tsjirpte en de nacht die als een donkere deken aan de
nog lichte lucht verscheen, zoals ik zag toen ik in bed
ging staan en achter het gordijn langs keek. De stemmen
waren nu zacht geworden, ik rook vaders nieuwe sigaar,
bewaarde hij het bandje wel? en sliep toch in.