Donderdagmiddag, pianoles. Mijn
leraar, Te Hennepe, woonde helemaal aan de andere kant van het dorp
en ik mocht er als 13-jarige met de fiets heen. Het was
de oude fiets van mijn nieuwe moeder, een eigen fiets
kreeg ik pas op mijn 15e.
Ik fietste vanuit de Meddosestraat richting
Groenloseweg, die links langs de Peperbus liep. Rechts van
de Peperbus liep de Singelweg, die iets verder over de Lange
Brug
naar rechts draaide. Toen ik halverwege de
brede oversteek was, kwam me vanaf de Groenloseweg een wagen met
2 dravende paarden ervoor met grote snelheid
tegemoet. Ik dacht dat hij gewoon rechtuit zou rijden,
maar opeens zwenkte hij met een voor hem grote
linkerbocht naar de
Singelweg. Ik probeerde nog te remmen, viel, en gleed
met fiets en al net voor de paarden op de grond. De wagen reed
op volle snelheid door!
Ik lag op de grond en was volkomen van de kaart. Een
politieagent hurkte bij me neer en vroeg hoe ik heette,
of ik kon opstaan. Ja, dat ging. Of ik pijn had. Nee, ik
voelde niks. Het is onbegrijpelijk dat ik onder die
dravende paarden was gekomen en geen schrammetje had!
De fiets was total loss, een houten achterwiel van de
zwaar beladen wagen met melkbussen was er
overheen gereden.
Maar waar was die wagen gebleven? De jonge boer was doorgereden naar zijn
boerderij in de Brinkheurne. Twee agenten op de fiets
hadden achter me gereden en alles zien gebeuren. Eén agent
bleef bij me, de ander ging racend achter de
wagen aan.
Ik weet nog precies dat ik op mijn rug lag, half over de
fiets heen, en dat ik de dravende paardenbenen links en rechts
van me zag neerdaveren en dat ik tegen de vuile onderkant van de wagen
aankeek.
Dat ik niet vertrapt ben, is een wonder. Ik heb
stilletjes altijd gedacht dat mijn moeder die toen nog
maar anderhalf jaar dood was, me beschermde.