Jachmans
tante Anna is al oud, een jaar of tachtig, maar ze
woont nog steeds op zichzelf, doet haar huishoudinkje
met zo nu en dan wat hulp van haar 10 jaar jongere zus
die ook in het dorp woont en met bijspringen van
Jachman als er geklust moet worden.
Ze is
nergens bang voor, behalve voor onweer en de hel. Er
dreigt onweer als Jachman op een avond naar haar toegaat
om een schilderijtje op te hangen. Ze weet dat hij komt,
maar durft bijna de deur niet open te doen. In de kamer
brandt op het dressoir een kaarsje. Biddend gaat ze er
weer voor zitten. Dat ze toch maar gespaard mag blijven!
Jachman maakt
het klusje af, vraagt of hij zal blijven, maar dat hoeft
niet. Het is al laat, het begint behoorlijk te onweren
en ze heeft liever dat hij naar mij, naar het Jachthuis
gaat.
Thuis vertelt hij van tante Anna, die voor de kaars
zittend het onheil afwendt. Ik begin te lachen: denkt ze
heus dat dat helpt, een beetje voor een kaars gaan
zitten bidden? Hahaha, die tante Anna!!! Ik heb
het nog niet gezegd of er is een enorme flits, een klap,
en we zitten in het pikkedonker. Het lachen is me gelijk
vergaan.
Gelukkig valt de schade mee, de bliksem
is niet op het huis, maar op de bovenleiding geslagen en
heeft langs die leiding de meterkast vernield. Nooit
lach ik meer om iemand die devoot een kaars opsteekt.
God straft onmiddellijk!