Mevrouw
Mevrouw
woonde in een grote villa naast het gewone huis van mijn
grootouders. Ze was een knappe gezette dame, met een jonge
uitstraling en prachtig grijs van nature krullend haar. Ze was
verpleegster geweest in 'ons' Indië en had daar haar man leren
kennen, een arts. Hij was nu in Nederland directeur van het
ziekenhuis, maar zij werkte niet meer, ze was gewoon mevrouw. Ze had
een dienstmeisje, een werkster, een tuinman, een Ierse setter, een
piano, een parketvloer en een telefoon. Dat hadden wij allemaal niet. Dat mijn
moeder iets had, wat zij niet had, twee kinderen, dat besefte ik
niet.
Mevrouw was gek op kinderen, en ik kreeg een groot deel van die
liefde mee. Alle buurtkinderen, wel zo'n twintig tussen de 4 en de
14 jaar, kwamen wel eens bij haar thuis, maar ik kwam er elke dag.
Ik ging niet naar de kleuterschool omdat ik al zo vaak ziek was en
mijn moeder geen zin had om nog vaker een ziek kind thuis te krijgen.
Ik was dus gewoon thuis. Bij Mevrouw meer, eigenlijk.
Als ik 's morgens bij haar kwam, mocht ik eerst in de keuken koffie
malen. Thuis hadden we een muurkoffiemolen zoals iedereen had, wit
met een blauwe molen erop, maar zij had een houten, die je tussen je
benen moest klemmen, en die zo'n grappig laatje had met een koperen
knop. De tweede keer ging het malen veel
lichter als de koffie uit het laatje weer opnieuw bovenin was
geschud. De koffie werd gefilterd, zij dronken géén kannetjeskoffie
met prut.
Als Mevrouw en Riekje koffie dronken, kreeg ik warme chocolademelk
met een ronde beschuit die ik mocht soppen. Daarna gingen we naar de
grote slaapkamer boven. Mevrouw maakte zelf het bed op. Ik mocht de
flesjes en potjes op de kaptafel openmaken om te ruiken, en ook de
pot met de wolkige poederdons. Het was helemaal niet erg als ik wat
morste.
"Ga je mee, Leidje, ik ben klaar hier". En dan kwam het. Ik mocht
de olifant pakken die midden op het bed lag. Hij was half zo groot
als ik en gemaakt van zachte grijze stof. Hij droeg een roodleren
belletjestuig en over zijn rug hing een rood met zilver geborduurd
kleed. Met de olifant voor mijn buik geklemd ging ik voor de
aankleedspiegel staan...en dan....... nou niks dan, dat was het
gewoon. Het ging om het ritueel.
De piano
stond in de eetkamer. Toen ik een jaar of zes was, leerde Mevrouw me
spelen met behulp van cijfernoten. Eén van de eerste liedjes die ik
leerde was: Er liep door 't gehucht een wonder gerucht, 't was van
een jòhònge boeri-hinne... Ik snapte er niets van. maar het was zo
prachtig droevig. Net zo droevig als het zingen van Mevrouw. Ze had
zangles en oefende bij de piano
mimimimimimiiiiiiiii.....doremifasollasido mimimimimimimimiiiii en
dan steeds een stapje hoger. Ik kreeg er rillingen van. Soms kwam
haar man even thuis en dan zei ze 'mannie' tegen hem. Raar. Mijn
moeder zei gewoon Jan tegen mijn vader, niet 'mannie'. Meneer heette Nanno,
vertelde m'n moeder en Mevrouw zei niet mannie maar Nanni.
Ik mocht ook telefoneren. Dat mijn vader drie huizen verder op de
zaak was, en dat ik gewoon met hem kon praten zonder te schreeuwen
was een groot wonder. Dat ik de honden Prins, Kromo en Wolf kon
horen blaffen was helemaal vreemd, díe hadden toch geen telefoon!
De zitkamer
die aan het terras grensde had een parketvloer en bij mooi weer gaf
mevrouw daar of ook wel buiten handwerkles aan een paar oudere
buurtkinderen. Ze mochten niet voor drie uur komen, want mevrouw
rustte eerst. Achter in de tuin was een prieel waar je kwam via een
slingerpad van flagstones. In een stenen cirkel met rondom rhodo's
stond een schommelhangmat waarin ze sliep of lag te lezen. Ik mocht
kijken bij het handwerkclubje. Ik heb goed opgelet, want ik kan het
naaietui dat ze maakten nog precies uittekenen. Een ronde groene lap
met lussen van rood band voor naaigerei en schaar, die door een rood
lint rondom dichtgebonden kon worden als een buidel.
Op
zomeravonden als wij kinderen buitenspeelden, kwam mevrouw vaak naar
het hek met een trommel koekjes om ons te trakteren. In verband
daarmee blunderde ik een keer verschrikkelijk. Op weer zo'n avond
kwam ze naar buiten met een langwerpig zilveren schaaltje met
blokjes chocoladereep. Het was oorlog en we kregen nooit chocola.
Omdat ik de jongste was, kwam ik als laatste aan de beurt. Er lag
nog precies één blokje. Terwijl ik het met links pakte, drukte ik
met de rechter wijsvinger op de resterende kruimels om die op te
likken. Mevrouw lachte en gaf me het schaaltje om ook het laatste
ministukje op te snoepen. Toen ze naar binnen was gegaan, viel de
hele troep kinderen over me heen: Zo'n onbeschoft kind hadden ze nog
nooit gezien, wat moest mevrouw wel van me denken! Ik schaamde me
dood.
Ze was een
goedgehumeurd mens, lachte veel met ons, kon veel van ons hebben. Er
kwam vaak een stel kinderen logeren uit Amsterdam, kinderen
van een bevriende arts. Ze mochten een vriendje of vriendinnetje
meebrengen en al die kinderen speelden met ons mee. Ik heb haar maar
één keer echt boos gezien. Twee logés, jongens van een jaar of
vijftien, speelden wild bij de keukendeur die ook op het terras uitkwam.
Eén trok zo hard hij kon van binnen aan de kruk, de ander deed
hetzelfde aan de buitenkant. Ineens scheurde de bovenkant van de deur in! Nou, dat was
niet best. Ze werd geweldig boos, en wij liepen maar stilletjes weg,
ook wel met een schuldig gevoel omdat we ze aangemoedigd hadden. De
deur werd gerepareerd, een brede ijzeren band werd er opgezet. Nog
jaren een bezienswaardigheid. Weet je nog van toen Herman en
Rob....?
De oude
moeder van mevrouw had nog van die houten schaatsen met voorop een
grote krul. Die schaatsen kreeg ik en daarop heb ik schaatsen
geleerd.
De Ierse
setter was in mijn ogen een enorm groot dier. Ik weet nog dat ik hem
voor het eerst durfde te aaien. Dat heldenfeit is vereeuwigd. Met
één vinger aai ik hem over z'n kop.
Ze durft! 2 jaar
en 3 maanden. Met Wodan en Klein Opoetje.
Toen ik naar
de middelbare school ging werden de bezoekjes minder. Er waren
zoveel nieuwe opwindende toestanden in mijn leven gekomen, dat zij
naar de achtergrond schoof. Wel bleef de plek voor haar huis het
verzamelpunt om samen met een heel stel naar school te lopen. Tussen
de middag aten veel buitenleerlingen hun brood bij haar op. Tot ik
uit huis ging, bleef ze me Leidje noemen, de enige troetelnaam
die ik ooit heb gehad.
Later hoorde
ik dat ze eenzaam gestorven is.
©leidje
berg |