Ochtend
in Huppel
De boerderijen aan
de bosrand zijn ontwaakt,
weerkaatsen wijdgeluikt het licht, dat goud
en fonkelend over besneeuwde velden glijdt en
fakkels maakt van beuk en meidoornhout.
Het
verderglijdend licht weeft zwarte takken
tot zeil van kant voor 't schuitje van de maan.
Het streelt 't Hilgelo, maakt, dat in rieten kragen
duizenden ijskristallen vonken slaan.
't Verbergt in
schaduwen een doodgelopen spoor,
waar vos het einde kleurt van zekerende muis.
Boven het Jachmansbos miauwt een buizerd door,
als ik, nog onderweg, de haard al ruik van thuis.