Anemonenbos
Duizenden bloemen, ontwaakt door haar stralen
draaien in warmte hun hart naar de zon.
Onder de eiken dringt door donk're diepte
wisselend lichtspel, de zon keert weerom.
Lopend langs 't beekpad, verschijnt hier elk
voorjaar
’t beeld van mijn moeder, mijn wand'len met
haar;
vrouw die mij leerde geloven in Leven,
bloemen te zien alle tijden van ’t jaar.
In ‘t Anemonenbos voel ik haar deernis,
ben ik weer tien, weet nog niets van de dood,
niet, dat díé lente haar pad zonder keer is;
Afscheid van 't leven, terug naar de Schoot.