Noordland
We lagen in het gras die zomeravond
na ’t plukken van nog warme gentianen
en voor ’t verplichte offer aan de schoot.
Jij zei: ik ga, ’t wordt koud.
Het arendsjong gilt
dwingend om zijn maal
hoog op de rots jammert
verdwaald een lam.
De dag kroop verder naar het einde,
was het tien centimeter slechts?
Een eeuwigheid verblindend glas,
gekloofd tot op de steen,
ging voorbij.
'04