Je bril
met jampotglazen maakte moeten,
drukte je
neus nog krommer naar omlaag.
Je
ogen knepen klein toen ik je groette;
dacht
jij ook aan die domme botte vraag?
De
draaideur gaf m’n flauwe ‘dà-àg’ een douw de straat
op,
ik keek
omlaag naar je nu grijs, eens warmrood haar.
hoe is het afgelopen met je man
De
schaamte om die vraag liet me weer gloeien,
ik kènde
’t antwoord toch, gebrandmerkt op je arm.
Je zag me
niet eens staan, keek diep naar binnen,
keek
duizend jaar terug, door eeuwen pijn.
Je bril
als een vergrootglas voor 't verleden,
je glazen
stolp voor bloemen in een schrijn.