Bij een
rozenkrans
Ze stoof de stoep op
in haar flapperend habijt,
sprong lenig als een jongen van haar motor,
liep, breed bekapt, als altijd snel, naar Ernst,
maar tilde nu met
stille kracht de beenloze uit bed
en schoof hem,
vlinderpop, zo,
doodvoorzichtig,
op de achterbank.
Als een Maria hield ze de bezwijmde op haar schoot,
God heel die reis met woede biddend: geef hem gratie.
Hij kreeg drie jaar; zijn laatste amputatie.