Bij een posthoorn en een kleine
hamer
Mijn
handen klim ik zwoegend achterna,
twee trappen ver naar opa's
timmerzolder.
Daar bij de werkbank groeit een
groot geheim
uit lichte tikjes en de spijkers van
zijn lippen.
Aan schuine balk wiebelt de pet,
knikt 'ja'.
Dat zie ik aan de posthoorn die mooi
glimt
in 't spinnenlicht dat door het
dakraam valt.
Dit is
míjn opa, die niet grapt, niet
stoeit,
maar die wel voorleest, 't liefst
van Bruintje Beer,
wat telkens nieuw is, honderdduizend
keer.
Een
boerenjongen die niet leren mocht,
die huisknecht werd en van
beschaving proefde,
voor 'n vast pensioentje lange
nachten zwoegde,
in treinen post sorteerde, tegen
hoofdpijn vocht.
Hij
leefde pas op zolder bij z'n
werkbank,
bij kasten, bedden, - dromen uit
zijn hand,
maar toen hij klein werd, krompen
ook de meubels
van lits-jumeaux naar
poppenledikant.
't Geheim van toen, de naaidoos voor
mijn moeder,
bevat die zolder, oude man, het
kind,
het stoffig licht geeft daar de
posthoorn goudglans
waar naaizij zich om kleine hamer
windt.