Een jonge allochtoon vlagt water
boven ’t gras,
op ‘t pad sijpelt het door, vormt zwarte spiegelplas.
Zacht neuriën insecten, onzichtbaar, onophoud,
in bonte knotplatanen vol slingers rood en goud.
Van ver komt marktgedruis, gekoer uit duiventoren.
Ik fluister zacht zijn naam, gehoord
een uur tevoren,
want vragend naar son nom, in onbeholpen Frans
-het park haalde diep adem, de hitte leek bevroren-
kwam stralend lachend ‘t antwoord, ‘k verstond het zo althans:
j’m’appelle, madame,
en France, le Campsis Radícans.
'02