|
Treinreis door
polderland
Ze rijdt achteruit,
wat ze ziet is verleden,
het onbekend nieuwe wordt ’t liefste gemeden.
Haar doel blijft ook nu achter zorgen verborgen,
ze kan enkel denken aan ’t onheil van morgen.
Ze kijkt naar de
polder, ziet enkel maar grassen,
ze kijkt naar de sloten, de molen, de plassen,
maar ziet niet de zilveren ribben die draaien
in waaier van zijde, de zachtgroene weide,
de molen een
draaiknop, het lijnenverdwijnpunt.
Ze mist het vermogen te zien wat je zijn kunt
als deel van de wereld in vrijheid daar buiten.
Spiegelend ziet ze
mezelf in de ruiten.
|